Archief Radix

19900701

De struktuur van Bavincks Gereformeerde Dogmatiek

N.H. Gootjes
Inleiding

Het is nu bijna honderd jaar geleden dat de eerste druk verscheen van Gereformeerde Dogmatiek, het meesterwerk van H. Bavinck. Bavinck was in 1883 docent geworden aan de Theologische School van de Afgescheiden Kerken in Kampen. Najaren van ingespannen studie publiceerde hij het eerste deel van zijn dogmatiek in 1895. Het laatste, vierde deel verscheen in 1901. Het jaar daarop werd Bavinck professor aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daar bewerkte hij het gehele werk voor de tweede druk, die verscheen tussen 1906 en 1911.' Deze tweede druk verschilt op allerlei punten van de eerste, maar inhoudelijke veranderingen zijn er slechts weinig.2 Bavincks Gereformeerde Dogmatiek werd meteen met groot enthousiasme ontvangen. A. Kuyper schreef al over de eerste druk naar aanleiding van het verschijnen van het tweede deel: 'een Dogmatiek a fonds. Geen handboek en geen leerboek. Maar een principieel, slagvaardig en afgerond werk, waarin de geheele Dogmatiek wordt doorkropen en besproken. We kunnen moeilijk uitspreken, hoe van heeler harte we ons hierin verheugen'.3 En ditmaal waren Kuypers tegenstanders het met hem eens.4 De bewondering bleek blijvend te zijn. Terwijl Kuypers dogmatiek3 weinig meer bestudeerd wordt, blijft men aan alle kanten Bavinck gebruiken als standaardwerk. K. Barth verwijst naar hem, en gebruikt zijn materiaalverzameling.6 En H. Berkhof schrijft dat uit de Gereformeerde Kerken 'een geloofsleer [is] voortgekomen, die zich hoog verheft boven vele vergelijkbare werken in binnenen buitenland: H. Bavincks Gereformeerde Dogmatiek, waarvan de eerste druk 1895-1901 verscheen. Dat werk, vol met informatie en inzicht, bovendien in fraaie stijl geschreven, is tot op heden voor de dogmaticus een Fundgrube'.7 Wat is het geheim dat deze dogmatiek zo aantrekkelijk maakt, waardoor hij tot op vandaag bruikbaar blijkt en bewondering oogst? Dat zal verschillen voor mensen van verschillende overtuiging. Diegenen die het met Bavincks gereformeerde stellingname niet eens zijn, zullen toch veel gebruik kunnen maken van de brede dogmenhistorische overzichten die de inleiding vormen op de eigenlijke dogmatische uiteenzetting. En ze zullen zich niet ergeren aan de toon. Bavinck tracht altijd recht te doen aan degenen met wie hij het oneens is. De gereformeerden die in de lijn van Bavincks dogmatiek willen gaan, zullen daarvan ook inhoudelijk veel profijt hebben. Ze zullen niet alleen nieuwe informatie krijgen, maar ook zal hun inzicht in de samenhangen van de gereformeerde leer verdiept worden. Toch zullen ook zij niet kunnen blijven staan bij Bavinck. Daarvoor is er teveel veranderd sinds hij zijn boek uitgaf en herzag. Daarvoor moet allereerst gewezen worden op de veranderingen in de theologie. Bavinck konfronteerde zich met de negentiende eeuwse theologie, maar sindsdien is er veel gebeurd. K. Barth heeft diep ingegrepen op de dogmatische diskussie. Theologen als W. Pannenberg, J. Moltmann, G. Ebeling en E. Jüngel hebben daarna de diskussie ieder op eigen wijze voortgezet. Dan is er de herleving van de Schleiermacheriaanse theologie in allerlei vorm, bijv. bij P. Tillich en H. Berkhof. De Rooms-katholieke theologie, waarvoor Bavinck zoveel belangstelling had, heeft een ontwikkeling doorgemaakt die leidde tot de besluiten van het tweede Vaticaanse Concilie. Verder valt in de twintigste eeuw te wijzen op de opkomst van de Pinksterbeweging en de Charismatische beweging. De theologen van deze bewegingen hebben nu de leer ervan samenvattend beschreven, dat dogmatisch verwerkt zal moeten worden. Hoeveel steun we ook kunnen hebben aan Bavinck, we kunnen niet meer met hem toe. Vervolgens moet gewezen worden op de invloed van de filosofie in Bavincks dogmatiek. Hij gaf zijn theologische antwoorden vaak in de denkvormen van de Aristotelische filosofie, zoals die via Augustinus en Thomas de theologie heeft meegevormd.s Sindsdien is het filosofisch klimaat ingrijpend veranderd. Het gevolg is dat wij beter dan Bavincks tijdgenoten de zwakheid van zijn filosofische hulpmiddelen kunnen doorzien. Toch zullen we, ook als we vandaag verder moeten komen dan Bavinck in zijn tijd was, nog veel van hem kunnen leren. En dan niet alleen inhoudelijk, maar ook methodisch. Hoe zette hij zijn dogmatiek op? Welke voordelen heeft die opzet, en welke spanningen en problemen doen zich daarbij voor? Deze vragen zijn bij mijn weten nog nergens opzettelijk aan de orde gesteld.9 Een bestudering van deze vragen zal ons meer greep doen krijgen op de aantrekkelijke eigenaardigheid van Bavincks dogmatiek. Tegelijk is het een oefening die ons verder kan brengen in dogmatische methode. Mozart schaamde zich er niet voor te bestuderen hoe Bach een fuga opzette, en Brahms analyseerde de strijkkwartetten van Mozart. Zo willen wij nagaan hoe Bavinck de stof heeft geordend in zijn Gereformeerde Dogmatiek.

Overzicht van Bavincks behandeling
Formeel gezien kent Bavincks dogmatiek vier indelingen. De grootste indeling is die in Inleiding, Principia van de Dogmatiek, en Dogma. Bavinck behandelt de eerste twee samen in deel 1, en vervolgens het Dogma in de volgende drie delen. De tweede indeling is die in hoofdstukken, in totaal 11 na de Inleiding. Als voorbeeld geven we de hoofdstukken van deel 2. Dat zijn er maar twee: hoofdstuk IV: Over God; en hoofdstuk V: Over de wereld in haar oorspronkelijken staat. De derde indeling is die in paragrafen, doorgenummerd tot 62.10 Om daarvan een voorbeeld te geven, de stof van het hoofdstuk over God wordt behandeld in tien paragrafen, beginnend bij de onbegrijpelijkheid Gods en eindigend met de raad Gods. De vierde indeling is die in onderparagrafen: over de vier delen 580. De lengte van deze onderparagrafen kan variëren van twee tot acht pagina's. Deze laatste indeling is betrekkelijk willekeurig. Ze wordt, in tegenstelling tot de andere, niet zozeer bepaald door de innerlijke logica van het onderwerp als wel door de hoeveelheid materiaal. Zo worden in de paragraaf over de Drieënigheid de namen van de Vader en van de Zoon behandeld in één onderparagraaf, 216, en de naam van de Heilige Geest in een aparte onderparagraaf, 217. Logisch gezien zouden deze onderwerpen óf in een, óf in drie onderdelen behandeld moeten worden. Inhoudelijk nog merkwaardiger is de wijze warop Bavinck de Schriftgegevens over wedergeboorte over twee onderparagrafen verdeelt in deel IV. Onder nummer 437 behandelt hij hoe wedergeboorte voorkomt in het Oude Testament, bij Johannes de Doper en in het onderwijs van Jezus Christus. In de volgende onderparagraaf 438 laat Bavinck zien hoe de apostelen spreken over de wedergeboorte. Uiteraard hoort de inhoud van deze onderparagrafen bij elkaar, als het onderwijs van de Schrift. Maar Bavinck had zoveel materiaal uit de apostolische geschriften, ruim vijf bladzijden, tegenover het Oude Testament, Johannes de Doper en het onderwijs van Jezus samen ruim twee, dat hij dit gedeelte zonder innerlijke noodzaak, apart neemt. Hieruit blijkt dat Bavinck de eigenlijke onderwerpen van de dogmatiek behandelt in de paragrafen. Als we dus Bavincks dogmatische methode willen nagaan, zullen we ons uitgangspunt moeten nemen in de derde indeling, die in paragrafen. Bavinck blijkt dan de gereformeerde leer bij voorkeur in grote onderwerpen te behandelen. Dat geldt ook heel duidelijk voor de twee onderwerpen waarop we ons onderzoek willen concentreren, de Triniteit en de raad van God." Terwijl bijv. de door Bavinck zelf heruitgegeven Synopsis de leer van de Triniteit behandelt in drie hoofdstukken,12 neemt Bavinck alles samen in één paragraaf, met een omvang van 75 pagina's. Op dezelfde omvattende wijze wordt in de paragraaf over de raad Gods ook de verkiezingsleer, inklusief een bespreking van infra- en supralapsarisme, opgenomen. Om een indruk te geven van Bavincks wijze van behandeling, zet ik hieronder overzichten van de triniteitsleer en van de leer van Gods raad naast elkaar.

Triniteit
Na een inleidende zin, de schriftgegevens uit het Oude Testament, § 213 13
Doorwerking ervan in de Apocriefe literatuur, § 214
De gegevens uit het Nieuwe Testament
over de Triniteit, § 215
over de drie Personen, § 216
De dogmenhistorische ontwikkeling, §§ 218, 219
De bestrijding van de kerkelijke leer van de Triniteit, §§ 220, 221
Uiteenzetting van de leer: Vader, Zoon en Geest, §§ 222-227
het 'filioque', §§ 228, 229
beelden voor de Triniteit, § 230
belang van de Triniteitsleer § 231

Raad van God
Literatuuroverzicht Na een inleiding over de dogmatische plaats van de Raad Gods, de schriftgegevens uit het Oude Testament, § 213.

De gegevens uit het Nieuwe Testament, § 233

De dogmenhistorische ontwikkeling §§ 234-238
De bestrijding van de kerkelijke leer van Gods raad, § 239
Uiteenzetting van de leer:
providentie, §§ 240, 241
predestinatie §§ 242-249

(belang van de leer van Gods raad, § 248)

Uit dit overzicht blijkt dat Bavincks behandeling drie fasen doorloopt: eerst de schriftgegevens, dan de dogmenhistorische ontwikkeling, en tenslotte een eigen samenvattende weergave van de leer. In het vervolg willen we Bavincks behandeling van deze drie onderdelen achtereenvolgens nader onder de loep nemen. Tenslotte willen we nagaan welke problemen in deze volgorde schuilen.

De behandeling van de Schriftgegevens

Bij Bavinck valt altijd op de enorme vloed van Schriftgegevens die bij elk onderwerp ter sprake komen. Deze dogmaticus kan met recht Schrifttheoloog worden genoemd.14 Achter de vele tekstverwijzingen zit Bavincks overtuiging dat het dogma niet rusten mag op één of twee teksten, maar op de hele Schrift. Om het te zeggen met een niet ongevaarlijke stelling die Bavinck van Von Hofmann overneemt: 'Het geheel bewijze het geheel'.15 In het overzicht bleek al dat Bavinck bij de presentatie van de Schriftgegevens geleding aanbrengt. Hij behandelt zowel bij de Triniteit als bij Gods raad de gegevens uit het Oude Testament afzonderlijk, voorafgaande aan die uit het Nieuwe Testament. Ook is de opsomming gestruktureerd. Bij de Triniteit wordt eerst aangewezen dat er een drievoudige oorzaak blijkt bij het werk van de schepping, daarna dat deze zelfde drievoudige oorzaak werkzaam is in de herschepping. Deze tweedeling vinden we zowel bij de Schriftgegevens uit het Oude, als bij die uit het Nieuwe Testament. De indeling in Oude en Nieuwe Testament wordt losgelaten wanneer Bavinck vervolgens spreekt over de namen Vader, Zoon en Geest. Dan staan de gegevens uit het Oude en Nieuwe Testament door elkaar. Het Schriftbewijs bestaat bij Bavinck vaak uit tekstenreeksen, maar soms bespreekt hij teksten en tekstgegevens breder. Zo vinden we in het gedeelte over de Triniteit een uiteenzetting over de Engel des Heren (228v), over 1 Joh. V 7 (236v) en over Spr. VIII 22,23 (239v). Bavinck stelt zich er niet mee tevreden traditioneel Schriftbewijs te herhalen, hij onderweipt dat ook aan een kritisch onderzoek. Een vergelijking met de al genoemde Synopsis kan dit duidelijk maken. De Synopsis geeft zes bewijzen uit het Oude Testament voor de Triniteit.16 1. Het voorkomen van de naam Jahwe (één wezen) naast de naam Elohim (meer Personen). 2. Teksten waarin God over Zichzelf in het meervoud spreekt, als Gen. I 26, III 22, XI 7. 3. Teksten waarin Gods naam driemaal herhaald wordt, Num. VI 24vv. 4. Teksten waarin drie titels aan God worden toegeschreven, als Jes. VI 3. 5. Teksten waarin God over de Here spreekt, Ps. CX 1, Hos. I 7. 6. Teksten waarin meer Personen afzonderlijk worden genoemd, Gen. XLVIII 16, Ex. XIV 19, 23, Ps. II, Spr. VIII, Jes. LXIII 9, Hag. II 6,8. Hiervan wijst Bavinck 4. af; 3. is volgens hem mogelijk, m.n. in verbinding met2Cor. XIII 13. 2. kan evenals 1. verklaard worden vanuit het feit dat God vol van leven en kracht is, en valt dus weg als bewijs.17 Hij is het eens met 5. en voegt daaraan teksten toe. En 6. wordt: 'En het klaarst wordt eene drievoudige zelfonderscheiding in het Goddelijk wezen aangeduid in Ps. 33:6, Jes. 61:1, 63:9.12, Hagg. 2:5,6' (229). Maar terwijl deze zes bewijzen bij de Synopsis het totale bewijs vormen, laat Bavinck hieraan een brede inleiding voorafgaan, waarin hij aantoont dat in schepping en verlossing een drievoudige oorzaak werkt (227-229). Zo heeft Bavinck t.a.v. het Schriftbewijs de traditioneel gegeven bewijzen onderzocht; hij neemt over, wijst af, voegt toe, en zet in breder verband. De verdienste van Bavincks behandeling van het Schriftbewijs wordt algemeen erkend. Toch zijn ook kritische geluiden te horen. Al een oud verwijt is, dat Bavinck een gemakkelijke bewijsplaatsen-methode zou hanteren: uitspraken van verschillende Bijbelschrijvers uit verschillende tijden, uit het Oude en het Nieuwe Testament, worden naast en door elkaar gebruikt. Maar hiertegen kunnen we twee dingen inbrengen. Ten eerste ordent Bavinck het Schriftbewijs vaak wel historisch-chronologisch. Ten tweede, en belangrijker: deze werkwijze kwam voort uit Bavincks overtuiging dat de Schrift in wezen het werk is van één Auteur: God.18 Terecht heeft daarom Th.L. Haitjema Bavinck zo verdedigd: 'De voor de historisch-kritische Bijbelwetenschap zo prikkelende methode van Bavinck om bij de opsomming van de loca probantia door elkaar heen plaatsen uit het O.T. en het N.T. aan te halen, en ook zelfs plaatsen uit Oudtestamentische historische boeken naast citaten uit Paulus' meest dogmatische brief, is toch feitelijk alleen maar een bewijs hiervan, dat Bavinck als dogmaticus volle ernst wil maken met de Heilige Schrift als enkelvoud, het boek der kerkelijke verkondiging, dat als zijn eerste Auteur de Heilige Geest heeft.'19 Kritiek van de zijde van de bijbelse theologie kwam van G. Vos. Deze is het eens met Bavincks Schriftbeschouwing; hij erkent ook dat m.b.t. het Schriftbewijs Bavincks Gereformeerde Dogmatiek een vooruitgang betekent in vergelijking met de gewone handboeken voor de dogmatiek. Toch acht hij de bijbels-exegetische fundering voor het dogma in vergelijking met de dogmenhistorische uiteenzetting wat verwaarloosd. 'Although the author's work bears ample evidence of a wide and thorough acquaintance with what has of late years been done in the field of biblical theology, yet the exegetical data are not given with the same degree of fullness nor with the same detailed explanation of their historic significance as the facts borrowed from the history of doctrine.'20 Juist in deze tijd was Vos, na eerst vijfjaar professor dogmatiek geweest te zijn, professor bijbelse theologie geworden in Princeton. In zijn inaugurele oratie omschrijft hij bijbelse theologie als 'the exhibition of the organic progress of supernatural revelation in its historic continuity and multiformity.'21. Vos' bezwaar tegen Bavincks Schriftbewijs zal dus zijn dat volgens hem Bavinck niet voldoende laat zien hoe de leer langzamerhand duidelijker en voller geopenbaard is. Ik ben er nog niet van overtuigd dat aan de dogmatiek de eis gesteld moet worden de organische voortgang van de openbaring, zoals de bijbelse theologie (in haar goede vorm) die wil naspeuren, te laten zien in het Schriftbewijs. Het is waar dat de onderdelen van de leer in de Schrift samenhangen, en daarom ook in de dogmatiek in hun samenhang moeten worden getoond. Maar de reden van die samenhang is niet de organische voortgang van die openbaring. De openbaring groeit niet uit een beginsel, zoals een plant voortkomt uit een zaadkorrel. Er is geen immanente groei. God is de gever van alle openbaring, en Hij voegt daaraan op allerlei manieren toe. De reden voor de onderlinge samenhang van de openbaringsinhoud is niet gelegen in een organisch groeiproces, maar in het feit dat éénzelfde God alles heeft geopenbaard, en dat in Hem geen tegenstrijdigheden bestaan.22 Daarom heeft de dogmatiek het recht bewijsteksten uit verschillende perioden samen te lezen, zonder daaruit een chronologische ontwikkeling te hoeven konstrueren. Als er kritiek geoefend moet worden op Bavincks Schriftbewijs, dan m.i. niet zozeer op de opzet ervan als wel op de uitwerking. J. Veenhof merkt hierover op, dat men zou wensen dat Bavinck minder opsommingen van teksten en meer detailexegese gegeven had.23 Om het even anders te formuleren; het is jammer dat achter Bavincks opsommingen niet meer detailexegese zit. Dat had hem kunnen behoeden voor het gebruik van een tekst tegen de betekenis ervan. Een paar voorbeelden mogen dit bezwaar illustreren. Bavinck meent dat het Oude Testament een drievoudige zelfonderscheiding van God leert o.m. in Ps. XXXIII6 (229). Daarmee beweegt hij zich in de lijn van de traditie; in de in zijn tijd gebruikte Statenvertaling luidt deze tekst: 'Door het woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest zijns monds al hun heir.'24 Maar ook toen al bestond de kommentaar van F. Delizsch op de Psalmen, en een blik daarin had hem beter kunnen leren.23 Een ander voorbeeld. Herhaaldelijk stelt Bavinck dat God door zijn Geest immanent is in al het geschapene, het alles levend maakt en versiert (227, vgl. 235). Maar geen van de hierbij genoemde teksten maakt duidelijk waarop het 'versiert' berust. Wanneer Bavinck de raad van God bespreekt, schrijft hij dat God in de geschapen wereld de rijkdom van zijn kennis en wijsheid niet uitput. Wat in Gods besluit is opgenomen 'is als het ware maar een epitome, een kort begrip van de diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kennisse Gods; alle dingen zijn mogelijk bij God, Matth. 19:26' (303). Maar dit gebruik van Matth. XIX gaat in tegen de bedoeling van de tekst. Deze uitspraak komt voor in het onderwijs van de Here Jezus dat zelfs een rijke uit zichzelf het koninkrijk van God niet kan binnengaan. Daaruit konkluderen de discipelen dat dan niemand behouden kan worden. Christus is het daarmee eens: 'Bij mensen is dit onmogelijk', maar Hij voegt eraan toe: 'maar bij God zijn alle dingen mogelijk'. In deze kontekst betekent dit woord niet dat van alle dingen die voor God mogelijk zijn, maar een klein gedeelte gerealiseerd wordt. Het gaat erom dat, waar de mens machteloos staat t.a.v. zijn verlossing, God dat alles tot stand kan brengen. Een bijzondere moeilijkheid doet zich voor wanneer Bavinck onder de teksten waar de Heilige Geest de Geest van Christus wordt genoend, ook 1 Cor. II 6 noemt (243). Dit moet een drukfout zijn, maar het is niet gemakkelijk uit te maken wat hier heeft moeten staan. Het meest voor de hand liggend is dat Bavinck hier bedoelt te verwijzen naar vers 16. Hier staat een uitdrukking die vertaald zou kunnen worden als 'de geest van Christus'. Het probleem is alleen, dat het gebruikelijke woord (nous) verschilt van het woord dat voor de (Heilige) Geest wordt gebruikt (pneuma). Als Bavinck hier inderdaad vs. 16 heeft bedoeld, en ik heb geen andere tekst kunnen vinden die bedoeld zou kunnen zijn, dan heeft hij hier waarschijnlijk het Grieks niet bekeken.26 Als laatste voorbeeld wijs ik op het gebruik van Hebr. XI 3, een tekst die op p. 153 in een andere vertaling en betekenis gebruikt wordt dan op p. 304.27 Bij alle waardering voor het uitgebreide Schriftbewijs bij Bavinck zal ook de zwakheid ervan erkend moeten worden. Er staan meermalen teveel teksten, omdat ze op de klank geciteerd worden. Het kan de dogmatiek alleen maar ten goede komen als het Schriftbewijs meer gebaseerd is op exegese.

De behandeling van de dogmenhistorie

Bij Bavinck vormen de dogmenhistorische overzichten niet maar een interessant gedeelte; hij heeft ze bedoeld als een wezenlijk onderdeel van zijn uiteenzetting. Volgens Bavinck ligt het dogma wel opgesloten in de Schrift, maar moest het zich daaruit ontwikkelen in de loop van de kerkgeschiedenis.28 Zonder de kerkgeschiedenis bestaat er dus helemaal geen dogma. In het dogmenhistorisch gedeelte wil Bavinck dan ook allereerst de weg traceren waarlangs het gekomen is tot de vorming van het dogma. Dat dit zijn bedoeling is, kan geïllustreerd worden aan het verschil dat bestaat tussen de dogmenhistorische behandeling van de Triniteit en van de raad van God. Bij de Triniteit geeft hij aandacht aan de Apostolische Vaders en aan de Apologeten, waar hij m.n. van Justinus sterke en zwakke punten aanwijst. Vervolgens behandelt hij Irenaeus, Tertullianus en Origenes, die elk op een punt hebben bijgedragen tot een beter inzicht, maar ook elk een zwakke plek hebben. Tenslotte geeft hij een overzicht van de opvattingen van Athanasius, de drie Cappadociërs, en m.n. van Augustinus 'die op deze wijze het dogma uitwerken en voltooien' (251). De dogmatische ontwikkeling van de triniteitsleer houdt voor Bavinck op bij Augustinus. Wel geeft hij ook dogmenhistorische overzichten uit de tijd na Augustinus, maar die horen bij het gedeelte over de bestrijding van dit dogma (254vv). Bij de behandeling van de raad van God vinden we een korte uiteenzetting van de opvattingen in de kerk van de tweede eeuw, van het Pelagianisme, en van Augustinus. Maar deze keer houdt hij niet bij Augustinus op; hij tekent ook de strijd in de Middeleeuwen, zoals die uitloopt op het Concilie van Trente. Een bespreking van de Reformatie-tijd volgt, waarin hij laat zien hoe de leer van de uitverkiezing prijsgegeven werd bij de Luthersen, en gehandhaafd en uitgewerkt bij de Gereformeerden. En pas daarna behandelt Bavinck de bestrijding van deze leer (329vv). Terwijl dus voor Bavinck de leer van de Triniteit het eindpunt van haar ontwikkeling bereikte bij Augustinus, kwam dat eindpunt bij de raad van God pas bij de Westminster Confessie. Bavinck geeft in de dogmenhistorische partijen maar niet een historisch overzicht waarin belangrijke theologen chronologisch aan de orde komen. Hij wil de wijze waarop het dogma in de loop van de historie ontstaan is, belichten. Omdat hij de formatieve periode van het dogma wil laten zien, kan hij in het ene geval ophouden bij de vijfde eeuw, terwijl hij in een ander geval door moet gaan tot in de zeventiende eeuw. Deze opzet van de dogmenhistorische partijen is nieuw, voor zover mij bekend. Het is niet ongewoon in een dogmatiek dogmenhistorische gegevens op te nemen. Maar bij Bavinck is dat geen losse verzameling theologen die hun mening geven over een bepaalde leer. Hij wil een overzicht geven van de verschillende inzichten die samen leidden tot het dogma in zijn huidige vorm. Dit is een originele en effektieve manier om inzicht te geven in de struktuur van een leerstuk. Bavinck staat hiermee duidelijk in de negentiende eeuw, met zijn aandacht voor historische ontwikkeling. Het schijnt dat hij deze benadering geleerd heeft van de Oudtestamenticus van Leiden die hij bij al zijn principiële kritiek zo bewonderde, A. Kuenen.29 Maar terwijl deze de historisch-kritische methode toepaste op de Schrift, past Bavinck haar toe op de ontwikkeling van het dogma. Bavinck heeft door deze ontwikkelingshistorische benadering van het dogma ons inzicht erin verdiept. En zoals Bavinck naar de konstituerende faktoren van de dogmavorming zocht, zo zoekt hij ook naar de grondpatronen in de bestrijding van het dogma. Bij de Triniteit zijn volgens hem twee afwijkingen mogelijk, één ter rechterzijde en één ter linkerzijde, door hem getypeerd als Sabellianisme en Arianisme (255, 257). Bij de leer van Gods raad worden de tegenstanders ingedeeld in deïsten en pantheïsten (329vv), een indeling die ook elders in zijn dogmatiek telkens voorkomt. Zo zijn de overzichten van de tegenstanders van het dogma sterk globaliserend. Deze karakteristiek van Bavincks dogmatiek is meermalen in verband gebracht met zijn aanleg. J. Brederveld heeft in een studie over Bavinck als filosoof geschreven: 'En dan geloof ik dat het hem ontbrak [aan] het scherp logische ontledend doordringen tot de laatste bestanddelen, waar de wortel ligt van tal van wijsgerige problemen.'30 Dit wordt dan vaak verbonden met een bekend citaat dat voorkomt in een brief die Bavinck nog voor zijn hoogleraarschap schreef aan zijn vriend Snouck Hurgronje: 'Maar kritikus ben ik niet. Ik kan niet alles ontleden, koel en onverschillig. Ik zou er zelf dood bij gaan. Mijn oog is ook zoo scherp niet, om al dat fijne en gedetailleerde na te gaan en uit te pluizen. Ik heb het zelf wel aan mij gevoeld, verder dan tot een globaal overzicht zou ik het nooit brengen. '31 Terecht merkt Veenhof na weergave van dit citaat op, dat Bavinck hier doelt op het historisch-kritisch bijbelonderzoek, maar volgens hem heeft het een bredere geldingskracht: 'Het onthult iets van de structuur van Bavincks geest.'32 Het lijkt me echter onjuist om op deze manier de opzet van de dogmenhistorische partijen in Bavincks dogmatiek te verklaren uit zijn aanleg. Wie zijn dogmatiek doorleest, kan niet blijven volhouden dat Bavinck niet kritisch kon analyseren. En wie daarbuiten een voorbeeld wil, leze de analyse van het verschil in kerkbegrip tussen Afgescheidenen en Dolerenden uit 1888.33 Bavinck kan wel gedetailleerd analyseren, maar in de dogmenhistorische overzichten kiest hij bewust voor de grote lijnen. Hij wil, vaak met voorbijgaan van individuele verschillen, laten zien welke gedachten hebben bijgedragen aan de vorming van het dogma, en hoe de tegenstand daartegen vaste patronen volgt. Op Bavincks gebruik van de dogmenhistorie wordt meermalen als kritiek uitgebracht, dat het specifieke van een bepaalde denker of stroming te weinig uit de verf komt.34 Veenhof, die deze kritiek doorgeeft, noemt er echter geen konkrete voorbeelden van. Wanneer we deze kritiek overwegen, moet allereerst opgemerkt worden dat Bavinck ook heel precies iemands plaats kan typeren. Zo bepaalt hij in het gedeelte over de Triniteit heel precies de mening van Irenaeus, Tertullianus en Origenes, en geeft hij m.n. veel citaten van Augustinus. Vervolgens moet het doel van Bavincks dogmenhistorische overzichten in rekening gebracht worden. Bavinck portretteert geen theologen, maar wil laten zien in hoeverre de gedachten van een theoloog hebben bijgedragen aan een dogma, of hoe hij zich verhoudt tot dat dogma. Binnen dat kader is het lang niet altijd nodig iemands mening gedetailleerd te beschrijven. Toch is het wel waar dat Bavinck af en toe vanwege zijn schematiseren, gegevens weglaat die toch binnen zijn eigen kader van belang zijn, of dat kader zelfs zouden kunnen openbreken. Zo stelt Bavinck wanneer hij de ontwikkeling van de Triniteitsleer tekent: 'In het dogma der triniteit ging het van den aanvang af om de Godheid in Christus... (246). Hij geeft dan een aantal citaten uit de Apostolische Vaders, waaruit blijkt dat voor hen Christus meer is dan een schepsel. Over de Heilige Geest schrijft hij dan: 'Van den Heiligen Geest is weinig sprake bij de apostolische vaders, maar Hij wordt toch van Vader en Zoon onderscheiden en naast deze gesteld' (246). Maar wie de citaten over de Geest eens net zo zou opsommen als Bavinck deed i.v.m. Christus, zal merken dat de opsomming wel korter is, maar niet minder duidelijk.33 Dit past echter niet in Bavincks theorie dat de triniteitsleer begon bij de erkenning van de godheid van Christus, en daarom laat hij dit materiaal weg. Eigenlijk hetzelfde geldt wanneer Bavinck vervolgens de Apologeten bespreekt. Ook daar wordt breed uitgeschreven hoe over Christus gesproken werd terwijl maar heel kort wordt vermeld hoe over de Heilige Geest gedacht werd. 'Maar over de Goddelijke natuur van den Heiligen Geest en over zijne ontologische verhouding tot Vader en Zoon vinden we bij Justinus zoo goed als niets' (248). Maar alleen al de gegevens die Bavinck hier zelf vermeld, maken duidelijk dat de Heilige Geest erkend werd als God, de derde in rangorde. Al ging de strijd in die tijd in de eerste plaats om de godheid van Christus, het ging de christenen toen evenzeer om de godheid van de Geest als om die van Christus. Ook de indeling van de tegenstanders van het dogma is niet altijd overtuigend. Wanneer Bavinck de afwijkingen van de kerkelijke triniteitsleer onderverdeelt in Sabellianisme en Arianisme, komt de vraag op waar het tritheïsme dan bij hoort. Het Sabellianisme ontkent immers dat er drie naast elkaar bestaande Personen zijn; het Arianisme, dat de Zoon wezenlijk God is. Merkwaardig genoeg plaatst Bavinck het tritheïsme onder het Sabellianisme. Maar tot in Bavincks eigen formulering blijkt dat deze indeling niet klopt. Hij stelt dat bij het Sabellianisme Zoon en Geest zo in het wezen van God zijn opgenomen 'dat alle onderscheid tussen de drie personen verdwijnt'. Maar bij het tritheïsme 'komen de personen los naast elkaar te staan' (258v). Bavincks schematiek voldoet hier niet. Een ander voorbeeld willen we ontlenen aan de paragraaf over de raad van God. Zoals al opgemerkt, verdeelt Bavinck de tegenstanders van deze leer in twee groepen, de deïsten en de pantheïsten. Het pelagianisme hoort bij het deïsme. Maar hoe staat het met het semi-pelagianisme? Bavinck schrijft daarover het volgende: 'Het zuivere, consequente Pelagianisme is de volkomen omverwerping van alle Christendom en religie. Daarom is het ook door geen enkele Christelijke kerk aanvaard. Hoezeer de leer der praedestinatie door semipelagiaanse inmengselen bij de Roomsche en de Lutherse kerk onzuiver is geworden, ze wordt toch door alle beleden. De praedestinatie is zakelijk een dogma van heel de Christenheid' (344). Hier blijkt hoe Bavinck zijn indeling handhaaft: hij plaatst het semi-pelagianisme bij de voorstanders van de leer „van Gods raad. Volgens hem erkennen ze feitelijk de verkiezing als besluit van God.36 Er gaat wervende kracht uit van zo'n opmerking. Maar Bavinck doet tekort aan de dogmenhistorische werkelijkheid wanneer hij het semipelagianisme niet erkent als bestaand alternatief voor de gereformeerde verkiezingsleer. De opzet van de dogmenhistorische gedeelten in Bavincks dogmatiek is waardevol. Doordat Bavinck nagaat welke gedachten achtereenvolgens hebben bijgedragen aan de vorming van het dogma, en van welke kanten dit dogma bestreden is, weet hij ons inzicht in het dogma te vergroten. Het zwakke punt is de vaak te sterke schematisering.

De dogmatische uiteenzetting

Het karakteristieke van Bavincks dogmatische uiteenzettingen is, dat hij zich echt met de problemen bezighoudt. Een goed voorbeeld is zijn behandeling van het verschil tussen supra- en infralapsarisme. Eerst wordt het probleem precies bepaald (345). Beide zijn door de Gereformeerde kerk aanvaard, waarbij Bavinck laat zien hoe groot de overeenkomst is (346). De Schriftgegevens brengen geen oplossing (347). Daaruit blijkt al dat beide opvattingen eenzijdig zijn. Een overzicht van de zwakke punten van het infralapsarisme (347v) wordt gevolgd door een opsomming van de zwakke punten van het supralapsarisme (348v). Bavinck gaat daarbij moeilijke stellingen niet uit de weg, bijv. dat zonde en straf door God gewild en bepaald zijn, zonder dat God er de oorzaak van genoemd mag worden (349v). Dan wijst Bavinck vier elementen aan die in beide niet tot hun recht komen (351-353), waarna hij poogt de eenzijdigheden van elk standpunt te voorkomen door Gods raad als een organisch geheel op te vatten (354n). Het doel van dit wat uitgebreide overzicht is niet inzicht te geven in de problematiek van supra- en infralapsarisme, maar in Bavincks werkwijze. Hij bespreekt de problemen echt. Hij neemt de lezer mee in een debat waarin argumenten, voor en tegen, sterke en zwakke punten aan de orde komen. In een diskussie waarbij hij echt luistert, probeert hij verder te komen. Het eigene van Bavincks uiteenzetting wordt nog duidelijker door een vergelijking met andere dogmatieken. De klassieke protestantse methode is die van de Leidse Synopsis, een methode die tot in onze eeuw toegepast wordt, bijv. in de dogmatiek van J.A. Heyns.3' In zulke dogmatieken wordt de leer samengevat in stellingen. Het doel is niet, de studenten te laten meedenken, maar hen te onderrichten. Er zit ongetwijfeld nadenken achter, maar in de tekst vinden we niet de weg van het nadenken, maar van het resultaat ervan. Wel een lopend betoog geven twee dogmatieken die van Bavinck afhankelijk zijn: die van L. Berkhof en A.G. Honig.3X Bij Honig is de behandeling van supraen infralapsarisme niet kort (262-271); hij komt uit op hetzelfde punt als Bavinck (269v), maar het karakter van de uiteenzetting is anders. Honig is het eens met Bavinck, en organiseert zijn materiaal keurig op weg naar diens konklusie. Het is daarom niet een echte diskussie, maar een zakelijke uiteenzetting. Bij Berkhof is de behandeling wat korter (118-124). Maar ook hier is Bavinck het oriënteringspunt, en ook hier wordt de zaak niet opnieuw overdacht. Berkhof geeft een handboek waarin een kwestie, die van infra- en supralapsarisme, wordt uiteengezet, maar hij heeft er blijkbaar niet wakker van gelegen. Bavinck schrijft geen handboek voor studenten waarin hij moeilijke problemen helder uiteen wil zetten. Hij doordenkt het hele veld van de dogmatiek opnieuw. Hij is met de problemen bezig, luistert naar alle kanten, geeft antwoord op tegenwerpingen. Meermalen voel je hoe hij worstelt met de stof. Het is deze existentiële behandeling van de dogmatiek die aan Bavincks uiteenzettingen het eigen karakter geeft. Als we hiervan een parallel zoeken, dan doet hij mij sterk denken aan Calvijn. Ook Calvijn argumenteert en betoogt, meermalen zelfs hartstochtelijk, al deed hij dat wel naar de trant van zijn tijd scherper dan Bavinck. Deze argumenterende opzet maakt Bavincks uiteenzettingen echter niet onbepaald. Hij koos als titel van zijn werk Gereformeerde Dogmatiek, en hij argumenteert als gereformeerd theoloog. Hij schaamt zich niet voor deze overtuiging, en daaraan danken we passages waarin Bavinck van zijn geloof getuigt met een ernst die vandaag nog diepe indruk maakt. Een bewogen passage over het feit dat de raad van God ook het verdriet en de rampen in de wereld omvat, kan dat bewijzen. Volgens Bavinck is het verschil tussen Augustinisme en Pelagianisme hierin gelegen, 'dat genen de Schrift in haar geheel, ook in deze hare leer, hebben aanvaard; dat zij theïstisch waren en altijd wilden zijn en ook in deze ontroerende feiten des levens den wil en de hand des Heeren hebben herkend; dat zij de werkelijkheid in al haar schrikkelijkheid onder de oogen hebben durven zien. Het Pelagianisme strooit bloemen op de graven, maakt van den dood een engel, ziet in de zonde een zwakheid, houdt verhandelingen over het nut der tegenspoeden, en acht deze wereld de beste die mogelijk is. Het Calvinisme is van zulk een oppervlakkig gebazel en gebeuzel niet gediend. Het rukt zich den blinddoek van de oogen, het wil niet leven in een ingebeelden waan, het aanvaardt den ernst des levens in zijn volle diepte, het komt op voor de rechten des Heeren Heeren, en buigt in ootmoed en aanbidding neer voor den onbegrepen, souvereinen wil van God almachtig. En daaronder blijkt het in den grond veel barmhartiger te zijn dan het Pelagianisme' (357). Bavinck ontwijkt de problemen niet, verdiept zich erin, doordenkt ze, en geeft dan gereformeerd-confessioneel geëngageerd, zijn mening. Het is deze karakteristiek van Bavincks dogmatiek die, meer nog dan de toevoeging van de dogmenhistorische overzichten, voor mij de blijvende waarde en aantrekkelijkheid ervan vormt. Een gevolg van deze argumenterende opzet is, dat het tijd kost om Bavincks mening over een onderwerp te vinden. Hij geeft betrekkelijk weinig definities; de waarheid is voor hem ook te gekompliceerd om in één zin te kunnen worden samengevat. Wie Bavincks opvatting over een bepaalde zaak wil weten, moet niet bladeren tot hij de juiste bladzij heeft gevonden, maar de betreffende paragraaf helemaal lezen, en meegaan in het betoog. De lezer moet Bavinck volgen in de voortgang van zijn uiteenzetting, dan zal hij zeker door Bavinck verder gebracht worden. Wat de inhoudelijke kant van de dogmatische uiteenzetting betreft: zoals Bavinck de dogmenhistorische overzichten en de tegenstand tegen het dogma struktureert, zo past hij ook vaste struktuurelementen toe in zijn uiteenzetting van de leer. Twee wil ik hier noemen. De eerste is de Triniteit. De Drieëenheid is bij Bavinck maar niet één van de onderwerpen uit de dogmatiek. Volgens hem is het feit dat God drieënig is, bepalend voor de leer in al haar onderdelen. Hij merkt daarover op: 'In de belijdenis der triniteit klopt het hart der Christelijke religie; elke dwaling vloeit voort uit of is bij dieper nadenken te herleiden tot eene afwijking in de leer der drieëenheid' (254v). De Triniteit 'is de kern van het Christelijk geloof, de wortel aller dogmata, de substantie van het nieuwe verbond' (300).39 In alle volgende paragrafen van Bavincks dogmatiek vinden we dan ook een verwijzing naar de Triniteit, en hoe elk dogma ermee samenhangt. Zo wordt bij de behandeling van de verkiezing vooral over Christus' plaats gesproken, maar het trinitarisch perspektief ontbreekt niet: De uitverkorenen 'zijn het volk Gods, het lichaam van Christus, de tempel des Heiligen Geestes' (366).40

Een tweede struktureel principe in Bavincks uiteenzettingen is de verbinding die hij legt tussen natuur en genade, tussen schepping en verlossing.41 Bij de bespreking van het Schriftbewijs voor de Triniteit wordt eerst aangetoond dat er een drievoudige werkzaamheid blijkt in het werk van de schepping, en dan in het werk van de herschepping. 'Dit drievoudig Goddelijk prinicipe, dat aan schepping en herschepping ten grondslag ligt, en heel de oeconomie der Oud Testamentische openbaring draagt...' (229). Bavinck vermeldt ook aan het eind van zijn behandeling van de Triniteit het belang ervan voor de leer van de schepping (229v) en voor de Christelijke religie (300v). Deze samenhang van schepping en verlossing is ook de reden waarom Bavinck de verkiezing behandelt in de paragraaf over de raad Gods. De raad van God gaat over alles, ook over de onbewuste natuur (337); de predestinatie is slechts een nadere toepassing van de raad: 'Evenmin als er scheiding te maken is tusschen de natuurlijke en de zedelijke wereld, is er een grens aan te wijzen tusschen wat betrekking heeft op den tijdelijken en wat betrekking heeft op den eeuwigen staat der redelijke schepselen' (338, vgl. nog 355). De samenhang van natuur en genade brengt Bavinck meermalen tot een parallel. Wanneer hij spreekt over de verwerping, geeft hij als algemene stelling: 'Het schijnt, dat de wet overal doorgaat, dat velen geroepen zijn en weinigen uitverkoren.' Dat wordt zo uitgewerkt: 'Duizenden bloesems vallen af, opdat enkele zouden rijpen tot vrucht. Millioenen van levende wezens worden er geboren en slechts enkele blijven in het leven.42 Duizenden menschen arbeiden in het zweet van hun aanschijn, opdat enkelen zich zouden kunnen baden in weelde... Er is geen gelijkheid op eenig terrein. Overal is er verkiezing naast en op den grondslag der verwerping. De wereld is niet ingericht naar de farizeesche wet van werk en loon; verdienste en rijkdom hebben niets met elkander te maken. En ook op het hoogste terrein is het alleen Goddelijke genade, die onderscheid maakt' (362v). Toch zijn Bavincks parallellen lang niet altijd overtuigend. In het laatstgegeven citaat wil Bavinck een overeenkomst aanwijzen tussen planten-, dieren- en mensenwereld. Maar de regel dat de wereld niet is ingericht naar de wet van werk en loon is niet van toepassing op het planten- en dierenrijk. Daar is geen sprake van verdienste, loon en genade. In feite raakt de vergelijking niet het eigenlijke probleem van de verwerping, en laat daarom de indruk achter dat Bavinck de verworpenen wel wil afschrijven, als de uitverkorenen het leven maar behouden.43 In de Triniteitsleer gebruikt Bavinck deze parallel ter verdediging van de gedachte dat er sporen van de Triniteit bestaan. Dat zijn wel geen bewijzen, maar toch wel aanwijzingen. Ze kunnen volgens Bavinck de leer van de Drieëenheid niet bewijzen, maar wel de tegenwerpingen ertegen weerleggen. 'Daar komt eindelijk nog bij, dat deze redeneringen den samenhang opsporen en bewaren tusschen natuur en genade, tusschen schepping en herschepping. Het is éénzelfde God, die ons schept en onderhoudt en die ons herschept naar zijn beeld. De genade verheft zich wel boven de natuur, maar is met haar niet in strijd' (297). Maar in deze sporen zoekt men niet naar een overeenkomst tussen schepping en herschepping, maar naar een overeenkomst tussen God en zijn schepping. Bavinck heeft hier te gemakkelijk gedacht de parallel van natuur en genade te kunnen gebruiken. Ten aanzien van Bavincks dogmatische uiteenzettingen is een veelgehoorde klacht, dat hij ophoudt op het punt waar het spannend wordt. H. Bouwman schreef over Bavinck: 'Was hij wel eens zwak in het poneren en het uitwerken van de konklusies...Bremmer geeft aan G. Vellenga het volgende citaat door: 'Maar als het er tenslotte op aankomt, om te zeggen wat iets al en wat iets niet is, worden wij telkens weer teleurgesteld. '4:> Ook Veenhof vermeldt deze kritiek, maar hij verklaart Bavincks vaagheid met Van der Vaart Smit uit diens bescheidenheid en nederigheid.46 Toch blijkt hij het er later wel mee eens: 'Hoewel Bavinck een zeer helder betoog leveren kan, hebben zijn uiteenzettingen meermalen een enigermate diffuus en vaag karakter. Ook zet Bavinck in zijn bespreking van een vraagstuk soms een punt juist daar, waar het 'spannend' begint te worden en wij hem graag nog wilden horen dóórspreken'.47 Op deze kritiek willen we verschillende dingen antwoorden. Ten eerste, in het algemeen wordt er niet bij gezegd op welke onderdelen van de Gereformeerde Dogmatiek zich deze kritiek richt.48 Maar het lijkt me te sterk gesproken wanneer Vellenga 'telkens weer' een tekort in de uitwerking konstateert. Wie meegaat in Bavincks brede betoogtrant, en niet naar citaatjes zoekt, krijgt toch meestal wel een duidelijk inzicht in Bavincks bedoeling. Ten tweede, Bavinck wil zoveel mogelijk het katholieke of universele van de gereformeerde leer laten zien. Daarom inkorporeert hij vaak goede elementen van theologen uit andere richtingen, ook als hij het verder niet met hen eens is. Hij neemt zelfs geregeld hun terminologie over, wat wel eens tot verwarring aanleiding kan geven. Maar ook hier geldt, dat wie doorleest, weten kan wat Bavinck bedoelt. Ten derde, Bavinck is voorzichtig, en wil niet verder gaan dan hij doorgedacht heeft en verantwoorden kan. En als hij er dan niet geheel uitkomt, laat hij liever het probleem staan, dan dat hij het met een machtsspreuk laat verdwijnen. Een goed voorbeeld daarvan is de kwestie van het supra- en infralapsarisme. Bavinck is duidelijk genoeg in het aanwijzen van de sterke en zwakke kanten. Hij brengt ons ook verder naar de oplossing. Maar uiteindelijk laat hij ze naast elkaar staan in een organische verbondenheid (355). Hier is het woord 'organisch' niet de oplossing van het probleem, maar het kader waarin het probleem opgelost moet worden. Deze voorzichtigheid van Bavinck lijkt me, zolang hij geen onderdelen van de Christelijke leer laat vallen, geen punt in zijn nadeel.

De volgorde van Bavincks behandeling

De volgorde waarin Bavinck de dogmatische onderwerpen behandelt: Schriftgegevens, dogmenhistorie, uiteenzetting van de leer, lijkt nogal voor de hand liggend. Toch is deze wijze van behandeling niet zo vanzelfsprekend als ze lijkt, en evenmin is ze algemeen gevolgd. Ter vergelijking wil ik wijzen op twee andere dogmatieken. In de zeventiende eeuwse Synopsis wordt bij de behandeling van de Triniteit eerst de leer uitgelegd door een omschrijving van het begrip 'persoon' en de verhouding ervan tot 'wezen', pas dan wordt de Triniteit uit de Schrift bewezen.49 Bij deze volgorde is het gevaar evident, dat de Schrift pas gaat funktioneren nadat in de definities de wezenlijke beslissingen zijn gevallen. H. Berkhof heeft in principe dezelfde drie onderdelen als Bavinck, maar de volgorde is anders. Eerst zet hij bij een bepaald onderwerp zijn eigen mening uiteen, dan volgen in kleine letter de Schriftgegevens en het dogmenhistorische materiaal.50 Uiteraard is bij de uiteenzetting rekening gehouden met wat in de twee volgende onderdelen zal worden behandeld. Blijkbaar is deze volgorde gekozen om veel lezers de last van de technische uiteenzettingen te besparen. Toch zal men in veel gevallen de bedoeling en reikwijdte van Berkhofs eigen opvatting pas echt begrijpen door de kleine lettertjes goed te bestuderen. Bavinck kiest opzettelijk een andere volgorde. Voordat hij het dogma kan uiteenzetten, moet hij eerst laten zien hoe dit dogma ontstond. Bavinck zegt het in het algemeen zo: 'Dogmata zijn er in formeelen zin niet in de Schrift, maar de stof ervan ligt geheel in haar vervat' (I, 66). Hoe dogmata tot stand komen blijkt uit de volgende uitspraak: 'Dogmata zijn niet zonder den arbeid der theologen door de kerk voortgebracht, maar zijn mede vrucht der theologie' (I, 65). Hiermee hangt samen dat Bavinck de Schrift liever niet 'bron' wil noemen. Deze 'uitdrukking duidt de relatie tusschen Schrift en theologie als eene mechanische aan, en doet het voorkomen, alsof de dogmata uit de Heilige Schrift geput konden worden als water uit een bron' (I, 66). Hij prefereert de term 'principium'; dat woord 'wijst op een organisch verband' (I, 66), nl. tussen de Schrift en de dogmata. Tegen de achtergrond van deze opvatting is het te verstaan dat Bavinck eerst de Schriftgegevens behandelt, omdat zij het materiaal vormen van het dogma. Dan wijst hij in de dogmengeschiedenis aan, hoe het dogma daaruit is voortgekomen. In de praktijk van de behandeling van de afzonderlijke dogmata blijkt dezelfde overtuiging. De dogmenhistorische uiteenzetting van de Triniteitsleer begint met deze zin: 'In al deze openbaringsmomenten biedt de Heilige Schrift ons natuurlijk nog geen uitgewerkt dogma over de triniteit.' En even verderop, na een samenvatting van de Schriftgegevens: 'En zij bevat daarmee al de gegevens, waaruit de theologie het dogma der triniteit opgebouwd heeft. De philosophie had er niets wezenlijks aan toe te voegen; zelfs de logosleer is nieuwtestamentisch. Alleen wachtte het alles op den tijd, dat de ratio christiana genoegzaam ontwikkeld zou zijn, om het heilig mysterie dat hier voorlag, in te denken' (245v). Het is de vraag of Bavinck, met zijn spreken over 'organisch' en 'ratio christiana' het dogma niet overwaardeert ten opzichte van de Schrift. Hij geeft de indruk dat het dogma een hoger ontwikkelingsstadium is van de waarheden die in de Schrift voorkomen."'1 Maar in feite geeft het dogma niet op een hoger, maar op een ander niveau de openbaringsinhoud weer. Terwijl God in de Schrift in allerlei konkrete situaties Zichzelf op veelvormige wijze openbaart, proberen de dogmata de openbaringsinhoud struktureel samen te vatten en te formuleren. Als er over 'hoger' gesproken moet worden, dan is de wijze waarop de Schrift spreekt, hoger. In de Schrift zijn de openbaringswaarheden immers te zien in hun betekenis in konkrete situaties. Bijv. de evangeliën laten in allerlei woorden en daden van de Here Jezus zien dat Hij Gods Zoon is, die mens geworden is. Het dogma belijdt, o.a. in de Apostolische Geloofsbelijdenis, dat Hij Gods eniggeboren Zoon is, die uit de maagd Maria is geboren. En de dogmatiek spreekt van Christus' goddelijke en menselijke natuur. Maar hiermee is nog niets beslist over de opzet van de dogmatiek. Ook als men ontkent dat de dogmata een hoger ontwikkelingsstadium van de openbaringswaarheden vormen, blijft Bavincks volgorde mogelijk: eerst behandelen hoe de Schrift over een bepaalde zaak spreekt, dan hoe de kerk geworsteld heeft om die Schrift gegevens recht te doen en tegen aanvallen te verdedigen, en tenslotte een eigen doordenking van het dogma. Het eerste probleem van Bavincks opzet blijkt wanneer we de vraag overwegen of Bavinck bij zijn eigen uiteenzetting zonder de Schriftgegevens kan. Dat is natuurlijk onmogelijk voor een theoloog die de Schrift ziet als bron (of principium) én norm (I 64v).52 De Schriftgegevens moeten daarom in Bavincks opzet op twee plaatsen voorkomen, in het eerste én in het derde gedeelte. Bavinck heeft deze verdubbeling van het Schriftbewijs blijkbaar als bezwaar gevoeld, en op twee manieren getracht te voorkomen. Bij de behandeling van de Triniteit worden de Schriftgegevens uitgebreid besproken in het eerste gedeelte. Wanneer hij in het laatste deel zijn eigen mening geeft, grijpt hij daarnaar vaak terug. Bijv. dat de Zoon geen schepsel is, wordt in het dogmatisch gedeelte bewezen met Rom. IX 5 (276), maar deze stelling steunt in feite op een hele reeks van teksten die hij genoemd heeft bij de Schriftgegevens (242). De vermelding van het beroep van de Arianen op Spr. VIII 22 (276) ziet niet terug op een diskussie van die tekst in het eerste onderdeel (239). De bewijsteksten voor de vergelijking van de Geest met adem en wind (280) zijn al eerder breder vermeld (243).53 Bij de behandeling van de Raad Gods vinden we de omgekeerde oplossing. Hier is het eerste onderdeel waarin het Schriftbewijs wordt gegeven, betrekkelijk kort. Deze teksten keren terug in het betogend gedeelte. Zo is de tekstenreeks voor Gods raad in de dogmatische uiteenzetting (333) een kombinatie van gegevens uit het Oude (306) en het Nieuwe Testament (307). Bij de behandeling van de verwerping als daad van God in de historie (356) herhaalt Bavinck teksten genoemd in het eerste onderdeel (304). Maar tegelijk vinden we in het laatste deel met Bavincks eigen weergave van de leer veel meer teksten dan genoemd in het gedeelte met de Schriftgegevens. Zo heeft Bavinck het bezwaar van de dubbele behandeling van de Schriftgegevens, getracht weg te nemen door nu eens in het eerste deel (zo bij de Triniteit), dan weer in het derde deel (zo bij de raad Gods) de teksten echt te behandelen. Maar binnen zijn opzet moet de Schrift tweemaal aan de orde komen, en is de behandeling van de Schriftgegevens of in het eerste of in het derde deel onbevredigend. Het tweede probleem bij Bavincks opzet zit in de keuze van de onderwerpen waarvoor hij de Schriftgegevens verzamelt. Waarom gaat hij op zoek naar gegevens over een drievoudig oorzaak? Waarom verzamelt hij in verband met de Zoon de teksten die spreken van zijn godheid, maar in verband met de Geest ook de teksten die zijn persoonlijkheid laten zien? Waarom zegt Bavinck in het begin van zijn uiteenzetting van Oudtestamentische teksten voor de raad Gods: 'En zoo is het ook met de verkiezing en de verwerping. Deze worden in het Oude Testament niet als eeuwige besluiten geteekend, maar zij treden ons op iedere bladzijde als feiten in de historie tegemoet' (304)? Hoe komt plotseling bij de bespreking van Rom. IX 21 het supra- en infralapsarisme ter sprake (307)? De reden is, dat Bavinck blijkbaar weet wat hij zoekt. Hij zegt wel dat hij van het principium (de Schrift) naar de uitwerking (het dogma) gaat, maar hij komt zelfbij het dogma vandaan. Uit de keuze van de onderwerpen die hij zoekt in de Schrift, blijkt het dogma al. Ook hier komt Bavinck uit voor zijn gereformeerde overtuiging, zoals hij die formuleerde in de titel van zijn boek: Gereformeerde Dogmatiek. In het gedeelte met de Schriftgegevens zoekt Bavinck de Schriftbeginselen voor de gereformeerde leer, ingedeeld naar de hoofdstukken van de zeventiende-eeuwse gereformeerde dogmatiek.^ In feite gaat dus bij Bavinck de gereformeerd leer aan de Schriftgegevens vooraf. Hij benadert de Schriftgegevens met een gereformeerde vooringenomenheid. Daar is geen kwaad van te zeggen; een vooringenomen benadering doet het veld van onderzoek niet noodzakelijk geweld aan. Het onderzoeksveld is er, met alle gegevens die het biedt. Daarom kan bij onderzoek blijken of onze vooringenomenheid al of niet bij het objekt van onderzoek past. Zo blijft de Schrift zichzelf, met wat voor overtuiging men haar ook benadert. Het is daarom mogelijk na te gaan, of de vooringenomen positie inderdaad overeenkomt met de Schrift, en of de Schrift iets anders of iets meer zegt over een onderwerp dan de onderzoeker vooraf meende. Niet alleen impliciet, zoals Bavinck doet, ook expliciet kan de gereformeerde dogmaticus uitgaan van de gereformeerde leer, om vervolgens na te gaan of die leer aan de Schrift recht doet. Maar wat moeten we aan met het eerste probleeem dat we bij Bavinck konstateerden, de dubbele behandeling van het Schriftbewijs? Op de achtergrond hiervan staat Bavincks overtuiging dat de Schrift in de gereformeerde dogmatiek twee funkties heeft: bron (of zo men wil: principium) én norm. De leer komt uit de Schrift voort, en moet naar inhoud en implikaties beoordeeld worden naar de Schrift. Kan er dan wel een gereformeerde dogmatiek opgezet worden zonder het Schriftbewijs tweemaal te geven? Natuurlijk kan een dogmatiek op veel manieren verantwoord opgezet worden. Een populaire dogmatiek zou bijv. rechtstreeks vanuit de Schriftgegevens naar de dogmatische samenvatting en verwerking kunnen toewerken, zonder speciale aandacht voor de dogmenhistorische ontwikkeling. Dan bestaat het probleem van de dubbele behandeling van de Schriftgegevens niet. Anders wordt het wanneer we Bavinck zouden volgen door de dogmenhistorische ontwikkeling op te nemen. Voortbouwend op de onbetwistbare winstpunten van Bavincks dogmatiek zou het misschien zo kunnen. Uitgaande van de gereformeerde leer wordt niet begonnen met de Schriftgegevens, maar met de dogmenhistorische ontwikkeling. Het lijkt me mogelijk de Schrift als principium te integreren in het tekenen van deze ontwikkeling. We houden dan twee hoofddelen over: de dogmenhistorische ontwikkeling en de dogmatische uiteenzetting. In het eerste onderdeel moet dan allereerst onderzocht en weergegeven worden hoe de ontwikkeling van een bepaald leerstuk heeft plaatsgevonden, door wie en met gebruikmaking van welke Schriftgegevens. Vervolgens moet worden nagegaan hoe het verzet tegen deze leer zich heeft ontwikkeld, wie welke argumenten, inclusief bijbelse argumenten, daartegen naar voren hebben gebracht. In het tweede hoofddeel kunnen dan de dogmata samenvattend worden uiteengezet. Daarbij moet worden nagegaan, rekening houdend met de kritiek, of de leer Schriftuurlijk is, en of ze wel juist is verwoord. En zullen we moeten proberen vanuit de Schrift verder te komen.


Bij het schrijven van dit artikel is dankbaar gebruik gemaakt van kommentaardat ik van verschillende kant ontving op een eerdere versie ervan, van wie ik met name wil noemen J.M. Batteau en B. Kamphuis.


N.H. Gootjes (geboren in 1948) is hoogleraar dogmatiek aan het Theological College of the Canadian Reformed Churches te Hamilton, Ontario. Adres: 10 Vespari Place, Hamilton Ont. L9C 6Y5, Canada. 


Noten:
1. Na de tweede druk verschenen nog drie drukken, die dezelfde tekst bieden, maar in paginering verschillen van de tweede. Ik gebruikte de vierde druk, Kampen: Kok, 1928. Bij verwijzing naar Bavincks dogmatiek wordt de vindplaats niet in de noten, maar tussen haakjes in de tekst geplaatst. Het is te betreuren dat er geen volledige Engelse vertaling van Bavincks dogmatiek bestaat. Wel is het eerste gedeelte van deel 2 in het Engels gepubliceerd, enigszins verkort en van tussenkopjes voorzien, onder de titel Doctrine of God. Van deze Engelse vertaling verscheen in 1988 een Koreaanse vertaling.

2. Zie voor een vergelijking tussen de eerste en tweede druk, R.H. Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, Kampen: Kok, 1961; deel II: Analyse, 15Ivv, en samenvattend 367; (hierbij de recensie van J. Faber, 'R.H. Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus', in Lucerna, II, 5/6, 554v) en J. Veenhof, Revelatie en inspiratie. De openbarings- en Schriftbeschouwing van Herman Bavinck in vergelijking met die der ethische theologie, Amsterdam: Buyten en Schipperheijn, 1968, 128. Zie over de vraag of Bavincks opvattingen aan het eind van zijn leven zijn veranderd, V. Hepp, Dr. Herman Bavinck, Amsterdam: Ten Have, 1921, 323vv, 330v; en E.P. Heideman, The relation of revelation and reason in E. Brunner and H. Bavinck, Assen: Van Gorcum, 1959, 217v.

3. Bij Hepp, Dr. Herman Bavinck, 242. In feite was Bavinck eerst van plan een handboek voor de dogmatiek te schrijven, maar heeft hij later besloten het breder op te zetten, zie bij Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, resp. 374 en 28.

4. Zie voor de reakties van ethische zijde, Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, 100vv.

5. Kuyper schreef zelf geen dogmatiek, studenten publiceerden hun aantekeningen van Kuypers dogmatische colleges. Later werden die met een woord vooraf van Kuyper opnieuw uitgegeven als Dictaten dogmatiek, I-V, Kampen: Kok (1910v).

6. Blijkens het register op de Kirchliche Dogmatik noemt Barth Bavinck vier maal; daarbij zijn twee plaatsen waar hij Bavinck echt gebruikt: 1/1, DieLehre vom Wort Gottes\ Zürich: Zollikon, 1940, 355; en II/1, Die Lehre von Gott, Zürich: Zollikon, 1940, 208. Vgl. ook nog het oordeel van E. Brunner, Dogmatik, I, Die Christliche Lehre von Gott, Zürich: Zwingli Verlag, 1946, 103; en van O. Weber, Grundlagen der Dogmatik' I, Neukirchen: Neukirchener Verlag, 1972, 172.

7. H. Berkhof, Christelijk geloof. Een inleiding tot de geloofsleer, Nijkerk: Callenbach 1973, XVI. Berkhof noemt Bavinck dan ook onder de theologen die hij als oriëntatiepunt koos, XXI. In de vijfde druk is het gedeelte uit de Inleiding, waarin dit citaat voorkomt, niet meer opgenomen. Wel gehandhaafd is de vermelding van Bavinck bij de oriëntatiepunten.

8. Hierop wees V. Hepp reeds in 1931, zie bij Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, 390; vgl. verder in dit werk 328; en J. Veenhof, Revelatie en inspiratie. Zie in dit verband ook het interessante, maar zich niet tot het onderwerp beperkende artikel van C. van Til, 'Bavinck the theologian', in Westminster Theological Journal, XXIV/1, 48vv.

9. De struktuur van Bavincks Gereformeerde Dogmatik wordt besproken door Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, 384vv; en Veenhof, Revelatie en inspiratie, 119vv. Bremmer geeft alleen een karakterisering van Bavincks methode; Veenhof geeft ook enige kritische opmerkin-

10. Het zijn in feite in totaal 63 paragrafen, want twee hebben nr. 13. Deze ongelukkige vergissing stond al in de eerste druk; in de volgende drukken bleef ze staan, waarschijnlijk om het mogelijk te maken de eerste druk te gebruiken naast de volgende.

11. De reden voor deze keuze is, behalve persoonlijke voorkeur, dat Bavinck hier m.i. op zijn best is. Hij heeft hier bijv. veel minder last van onkritisch gebruik van filosofische kategorieën.

12. Synopsispurioris theologiae, 6e d. H. Bavinck, Lugduni Batavorm: Donner, 1881. Het gedeelte over de Triniteit in disp. VII-IX.

13. Bij de behandeling van de Triniteit ontbreekt een plaatsbepaling van het onderwerp, omdat Bavinck dit al gedaan heeft in par. 27. Indeeling der namen Gods.

14. Zo H. Bouwman, zie Veenhof, Revelatie en inspiratie, 124.

15. Vgl. Gereformeerde dogmatiek, I, 40,70. Zie ook Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, 387: Bavincks 'Bijbelgebruik beperkt zich niet slechts tot het noemen van geïsoleerde teksten, maar is meer nuancerend en zoekt naar de grote motieven in de Schriftopenbaring.'

16. Synopsis purioris theologiae, VII, 39-48.

17. Bavinck verwijst hier in een noot naar zijn uiteenzetting over de Oudtestamentische naam van God Elohim, maar de bedoelde passage is te vinden op p. 110

18. Zie de brede uiteenzetting over de theopneustie der Schrift, in deel I, 357vv.

19. Bij Veenhof, Revelatie en inspiratie, 124, zie ook 625. Overigens is de typering van de Schrift als 'het boek der kerkelijke verkondiging' m.i. geen juiste weergave van Bavincks Schriftleer.

20. Vos schrijft dit in een bespreking van de eerste druk van het tweede deel van Bavincks dogmatiek, nu opgenomen in Redemptive history and biblical interpretation. The shorter writings of Geerhardus Vos, ed. R.B. Gaffin jr., Phillipsburg: Presbyterian and Reformed, 1980, 487.

21. 'The idea of biblical theology as a science and as a theological discipline', in redemptive history and biblical interpretation, 15.

22. A. van de Beek spreekt nu van veranderingen in God waardoor tegenstrijdige opvattingen in de bijbel voorkomen, zie hierover B. Kamphuis, 'Waarom?', in De Reformatie 62/27 (1987), 537vv; en J. Kamphuis, 'Schriftuurlijke leer over de Heilige Geest?' in Nederlands Dagblad, 16-1-1988.

23. Veenhof, Revelatie en inspiratie, 124. Veenhof voegt hier terecht aan toe dat in Bavincks dogmatiek ook passages voorkomen die van zorgvuldige exegese blijk geven.

24. Vgl. de Kanttekeningen bij de Statenvertaling; bij 'woord' schrijven ze: 'Versta het eeuwige zelfstandige Woord des Vaders'; en bij 'Geest zijns monds': 'Versta dit van den Heiligen Geest, die van den Vader en den Zoon uitgaat, en gezonden wordt, zijnde mede een oorsprong van de schepping aller dingen'.

25. F. Delitzsch, Biblischer Kommentar über die Psalmen*, Leipzig: Dörffling & Franke, 1894, 268. Zie breder K. Schilder, Heidelbergsche Catechismus III, Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1950, 261.

26. Of juist heel goed bekeken, want er zijn exegeten die hier gelijk stellen aan de Heilige Geest, zie bij H.A.W. Meyer, Kritischexegetisches Handbuch überden ersten Brief aan die Korinther3, Göttingen: Vandenhoeck und Ruprecht, 1856, 60; en H. Conzelmann, Der erste Brief an die Korinther, Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 1969, 87. Maar als Bavinck de tekst in deze zin zou willen gebruiken, kan hij niet volstaan met het opnemen ervan in een opsomming.

27. Zie mijn De geestelijkheid van God, Franeker: Wever, 1984, 148, nt. 112.

28. Vgl. zijn Gereformeerde dogmatiek I, 90v: 'De Heilige Schrift is geen dogmatiek. Zij bevat al de ons noodige kennisse Gods, maar heeft deze niet dogmatisch geformuleerd.' 'Deze dogmatische verwerking van den inhoud der Heilige Schrift is echter niet het werk van één enkel theoloog, of van een bijzondere kerk of school, maar van de gansche kerk door alle eeuwen heen, van heel de nieuwe, door Christus herborene menschheid.' Zie ook de verdere bespreking hiervan in het laatste deel van dit artikel.

29. Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, 387; Veenhof, Revelatie en inspiratie, 119.

30. Bij J. Geelhoed. Herman Bavinck, Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1958, 63v.

31. Bij Hepp, Dr. Herman Bavinck, 89.

32. Veenhof, Revelatie en inspiratie, 130. 3

3. Breed geciteerd in Hepp, Dr. Herman Bavinck, 185vv.

34. Veenhof, Revelatie en inspiratie, 129, onder verwijzing naar W.J. Aalders en K.H. Roessingh.

35. Zie bijv. de overzichten bij G.L. Prestige, God in patristic thought, London: S.P.C.K., 1964, XXII en 80 vv; en J.N.D. Kelly, Early Christian doctrines, rev. éd.; San Francisco: Harper & Row, 1978, 90vv; 110vv.

36. Bavinck sprak nog anders op p. 338v: 'Toch heeft het pelagianisme hier de praedesti natie voorde praescientia ingeruild en de voorverordineering omschreven als dat besluit Gods, waarbij Hij eeuwige zaligheid of straf heeft bepaald voor hen, wier volhardend geloof of ongeloof hij (sic) tc voren had gezien. Hoe algemeen deze voorstelling nu ook in de Christelijk kerk is aangenomen - zij is immers de belijdenis van alle Grieksche, Roomsche, Luthersche, Remonstrantsche, Anabaptistische, Methodistische Christenen enz. - zij wordt toch èn door de Schrift, èn door de religieuze ervaring èn door het theologisch denken beslist weersproken.' De overgang naar het in de tekst gegeven citaat wordt gevormd door de volgende gedachte: 'Ten derde is het het eenparig getuigenis van alle religieuze, Christelijke ervaring, dat de zaligheid beide in objectieven en in subjectieven zin enkel en alleen Gods werk is. In de leer moge iemand pelagiaansch wezen, in de practijk van het Christelijk leven, in het gebed bovenal, is ieder christen Augustiniaansch' (339).

37. J.A. Heyns, Dogmatiek2, Pretoria: N.G. Kerkboekhandel Transvaal, 1981.

38. L. Berkhof, Systematic theology4, Grand Rapids: Eerdmans, 1949; met daarbij: Introduction to systematic theology, repr. 19792, Grand Rapids: Baker, 1981; A.G. Honig. Handboek van de gereformeerde dogmatiek. Kampen: Kok, 1938. Daarbij heeft L. Berkhof nog de moeite ondervonden dat hij in een ander werelddeel en in een andere theologische traditie vanuit Bavinck verder wilde werken. Het is hem niet gelukt de Nederlandse en de Amerikaanse traditie tot één geheel samen te smeden. Een voorbeeld: Berkhof sluit zich aan bij de Amerikaanse naam voor dit vak: Systematic theology, en verwijst zelfs naar B.B. Warfield die deze naam verdedigt. Maar in feite wil hij naar het voorbeeld van Bavinck een dogmatiek schrijven, blijkens de titel van het eerste hoofddeel van de Introduction: 'The idea and history of dogmatic theology'.

39. Het is mogelijk dat Bavinck al heel vroeg overtuigd was van de centrale plaats van de Triniteit. In een referaat uit 1881, 'Het vóór en tegen van een dogmatisch systeem', sluit hij zich zo aan bij A. Kuyper: 'En het is daarom een alleszins treffende, heerlijke gedachte, waarmee Dr. Kuyper zijne uitlegging van het Anti-revolutionaire Program besluit, dat op theologisch, moreel, juridisch, sociaal en politiek gebied het leven nooit tot op den bodem gepeild is, zoolang het onderzoek nog niet in God zeiven d.i. in de belijdenis Zijner Heilige Drieëenheid kwam te rusten', zie Kennis en leven, ed. C.B. Bavinck, Kampen: Kok, 1922, 59.

40. Vgl. nog de betekenis van de Triniteit in de principia-leer, I 183-186, 205-207. Tot op vandaag wordt dit strukturele gegeven van Bavinck gebruikt in de theologie, zie bijv. A.N. Hendriks, Kerk en ambt in de theologie van A.A. van Ruler, Amsterdam: Buijten en Schipperheijn, 1977.

41. Bavinck bouwt hiermee voort op zijn twee eerste rectorale redes in Kampen. De katholiciteit van Christendom en kerk, Kampen: Zalsman, 1888; en De algemene genade, Kampen: Zalsman, 1894.

42. Hierbij plaatst Bavinck een voetnoot, waarin hij verwijst naar een artikel op biologisch terrein. Ook dit is een gevolg van de samenhang die Bavinck ziet tussen natuur en genade, dat hij zulke gegevens opneemt in zijn dogmatiek. Vgl. ook de gegevens bij M.E. Brinkman, 'Een aanzet tot een oecumenische scheppingstheologie (ontwikkeld in gesprek met H. Bavincks scheppingsleer)', in Gereformeerd theologisch tijdSchrift, 87/4, 1987, 226 vv.

43. Een ander voorbeeld van het vergelijken van twee m.i. onvergelijkbare zaken is de overeenkomst die Bavinck ziet tussen poëtische inspiratie en Schriftinspiratie, I, 395 (tegelijk ontkent Bavinck dat deze vereenzelvigd kunnen worden, 396,400). Want bij de poëtische inspiratie ontbreekt juist wat kenmerkend is voor de Schriftinspiratie, dat een Ander door de menselijke schrijver spreekt. Vgl. ook mijn kritiek op het gebruik dat Bavinck maakt van het getuigenis van de Geest als oplossing voor de kernproblematiek; zie mijn 'Het getuigenis van de Geest in verband met de Schrift', in Radix 11/4, 1985, 199vv.

44. Bij Geelhoed, Herman Bavinck, 57.

45. Bij Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, 102. Vellenga geeft een voorbeeld uit Bavincks behandeling van de leer van de doop, maar Bremmer is het met deze kritiek niet eens. Op de volgende bladzij vermeldt Bremmer een overeenkomstige kritiek van J. Riemens: 'Nu blijft' en dit is de allergrootste zwakheid van dit boek - 'Bavinck een nadere uiteenzetting, een duidelijke definitie schuldig van wat hij onder inspiratie verstaat.' Bremmer acht deze kritiek niet helemaal onbillijk.

46. Veenhof, Revelatie en inspiratie, 122.

47. Veenhof, Revelatie en inspiratie, 129.

48. Wel meermalen tegen Bavincks Schriftleer, zie het citaat in noot41, en de brief van J.H. Gunning geciteerd in Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, 105.

49. Synopsis purioris theologiae, VII. Iets gedetailleerder ingedeeld ziet het er als volgt uit: 1-32: uiteenzetting van de leer; 33-38: de Triniteit is alleen uit de Schrift te bewijzen; 39-49: het Schriftbewijs;

50; de loochenaars van de Triniteit. 50. H. Berkhof, Christelijk geloof, vanaf § 7.

51. Ook bij Kuyper vinden we de organische beeldspraak: 'Feitelijk daarentegen zijn de Dogmata levende planten, die haar vertakkingen in geheel het historische verleden hebben, en met haar wortelen vastliggen in de Heilige Schrift. De Dogmatiek heeft dienvolgens het Dogma in dit levende, organische gestalte voor zich te plaatsen, en mag nooit iets anders in het Dogma zien, dan Schriftwaarheid, die door de historie in de denkvormen van ons algemeen menschelijk bewustzijn gereflecteerd is', Encyclopaedie der heilige godgeleerdheid2, III; Kampen: Kok, 1909. Veel sterker treedt het gevaar van zulk spreken op de voorgrond in de Amerikaanse dogmaticus die in zekere zin de voorganger was van Kuyper en Bavinck, Ch. Hodge. Deze noemde als tweede reden voor het systematiseren: 'A much higher kind of knowledge is thus obtained, than by the mere accumulation of isolated facts', Systematic theology I; London & Edinburgh: Th. Nelson, 1883, 2.

52. Bavinck formuleert hierin in oppositie tegen de theologie van Schleiermacher en zijn volgelingen, die 'ook de belijdenis der gemeente tot kenbron [hebben] gemaakt en de Heilige Schrift tot norma verlaagd, of ook de belijdenis naast de Heilige Schrift als kenbron geplaatst.' Het is waar dat bij Schleiermacher het 'Gefühl' van de gemeente kenbron is, maar het is niet juist dat bij hem de Schrift norm zou zijn, zie F. Schleiermacher, Der christliche Glaube, nach den Grundsätzen der evangelischen Kirche im Zusammenhange dargestellt2, Gotha: F.A. Perthes, 1889, §§21,22.

53. Ook hier blijkt, dat we om Bavincks mening echt te leren kennen, de hele paragraaf moeten lezen.

54. Dat Bavinck zijn onderwerpen ontleend heeft aan de dogmatiek van de zeventiende eeuw, wordt opgemerkt door Bremmer, Herman Bavinck als dogmaticus, 386.

  • 40;41;42;43;44;45;46;47;48;49;50;51;52;53;54;55;56;57;58;59;60;61

 
 
Nieuwsbrief